Met het NHP wenst België een opvolging te geven aan de hernieuwde Lissabon-strategie. Deze strategie vond haar oorsprong in maart 2000 in Lissabon waar Europese doelstellingen voor de komende 10 jaar werden afgesproken en waar werd beslist over welke hervormingen daartoe noodzakelijk zijn. Op 22 en 23 maart 2005, vijf jaar na de Lissabon-top en dus halfweg de afgesproken termijn van 10 jaar, werd door de staats- en regeringsleiders besloten om de strategie meer te focussen op groei en werkgelegenheid.
In 2005 werd ook afgesproken om “Geïntegreerde richtsnoeren” op te stellen, die zowel de Globale Richtsnoeren voor het Economische Beleid als de Europese Werkgelegenheidsrichtsnoeren omvatten. De geïntegreerde richtsnoeren vormen het centrale instrument voor de coördinatie van het economische beleid in de Europese Unie. Via de nationale hervormingsprogramma’s geven de EU-landen uiting van hoe de Europese doelstellingen worden vertaald op landenniveau. Het grootste gedeelte van het economisch beleid wordt immers op landenniveau en niet op Europees niveau bepaald.
De essentie van de Lissabon-strategie
Begin 2000 werd door de staats- en regeringsleiders vastgesteld dat de Europese Unie voor nieuwe uitdagingen stond. De mondialisering, de uitdagingen van een nieuwe kenniseconomie en vooral de snelheid waarop veranderingen plaatsvonden maakten het noodzakelijk dat de Unie een programma opstelde met een strategische doelstelling om tegen 2010 “de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te worden die in staat is tot duurzame economische groei en betere banen en een hechtere sociale samenhang”. Het programma voorzag hervormingen op het gebied van het beleid over de informatiemaatschappij, Onderzoek en Ontwikkeling, een versnelling van het structurele hervormingsproces, een mondernisering van het sociaal model en een passende macro-economische beleidsmix.
In latere stadia werden hier verschillende aspecten aan toegevoegd. Een belangrijke herziening vond plaats in 2004 onder leiding van W. Kok. Op basis hiervan werd in maart 2005 gezocht naar een nieuwe impuls. Deze is gestoeld op drie principes: een prioritisering, een vereenvoudiging een nieuwe governance. De prioriteit wordt in de vernieuwde Lissabon-strategie, in samenhang met de strategie voor duurzame ontwikkeling, gegeven aan groei en werkgelegenheid. Tegelijk wordt beslist om de rapportering te vereenvoudigen. Het Cardiff-rapport en de rapportering voor het Luxemburg proces worden herleid naar één document: de NHP’s. Ten slotte wordt gestreefd naar betere governance waarbij alle betrokken partijen (regeringen, maar ook parlementen, sociale partners, gewesten, e.a.) een bijdrage leveren.
In maart 2006 wordt, binnen het kader van de geïntegreerde richtsnoeren, aandacht gevraagd voor vier specifieke gebieden. Deze zijn: investeren in kennis en innovatie, het ondernemingspotentieel, vooral bij het midden- en kleinbedrijf, arbeidskansen voor prioritaire categorieën en een energiebeleid voor Europa.
Wat wordt behandeld in het NHP?
Eén keer om de drie jaar wordt een programma gemaakt met politieke prioriteiten. Het eerste dergelijke programma werd gemaakt in oktober 2005 en ging over de periode 2005-2008. In het tweede en het derde jaar in de cyclys (2006 en 2007) worden vooruitgangsrapporten gemaakt die nagaan wat van de prioriteiten reeds is gerealiseerd en hoe deze prioriteiten eventueel veranderd zijn. In oktober 2008 werd een nieuwe hervormingsprogramma voorgesteld voor de periode 2008-2010.
De Europese Commissie maakt van haar kant ook een rapport met economische hervormingen op EU-niveau.
Het NHP staat uiteraard niet op zichzelf. De federale en gewestelijke overheden bepalen immers zelf hun regeerprogramma voor een legislatuur met aanpassingen op regelmatige tijdstippen of wanneer deze noodzakelijk zijn. Specifiek bij het NHP is echter, dat de prioriteiten en maatregelen van de verschillende regeringen bij elkaar worden gelegd en worden voorgesteld op een door de Europese Unie vastgestelde geharmoniseerde wijze. Deze werkwijze helpt eveneens in de informatiedoorstroming tussen gewesten, federale overheid en Europese Unie.